Dit hoofdstuk geeft de voortgang van het Deltaprogramma op hoofd­lijnen en gaat ook in op nieuwe ontwikkelingen in de governance, kennis, markt en innovatie en de internationale samenwerking.

2.1Voortgang van het Deltaprogramma op hoofdlijnen

Vinger aan de pols

Het Deltaprogramma kijkt ver vooruit: de maatregelen zijn gericht op het wegnemen van knelpunten die nu al optreden door het veranderende klimaat en op de doelen voor waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie in 2050 en verder. Op de weg daarnaartoe vinden allerlei ontwikkelingen plaats die de opgaven en de oplossingen beïnvloeden. Ook komen steeds nieuwe inzichten beschikbaar, bijvoorbeeld in een mogelijk versnelde zeespiegelstijging en faalmechanismen van dijken. Bovendien kunnen maatschappelijke wensen verschuiven.

In het Deltaprogramma is gekozen voor een adaptieve aanpak: nieuwe ontwikkelingen en inzichten kunnen aanleiding zijn om eerder vastgestelde voorkeursstrategieën en (delta)beslissingen aan te passen. Dat kan ieder jaar als ontwikkelingen daarom vragen. De Stuurgroep Deltaprogramma heeft in 2017 besloten in aanvulling daarop iedere zes jaar een systematische herijking uit te voeren. Een toelichting op deze werkwijze staat in Achtergronddocument F bij DP2017.

Voor de jaarlijkse check vormen de resultaten van de systematiek ‘meten, weten, handelen’ (MWH) het uitgangspunt. Met MWH houden de organisaties die bij het Deltaprogramma betrokken zijn de vinger aan de pols. MWH ordent de bestuurlijk relevante informatie aan de hand van de vier hoofdvragen:

  • Zijn we op schema: realiseren we de maatregelen en voorzieningen binnen de afgesproken tijd en het beschikbare budget?
  • Zijn we op koers of vragen externe ontwikkelingen of verandering in maatschappelijke voorkeuren bijstelling van doelen of maatregelen?
  • Worden de opgaven integraal opgepakt?
  • Is sprake van brede betrokkenheid (participatie)?

Voor de systematische zesjaarlijkse herijking wordt zorgvuldig gecheckt of er ontwikkelingen zijn die aanpassingen nodig maken van het beleid dat is gebaseerd op de voorstellen voor deltabeslissingen en voorkeursstrategieën.* Als dat zo is, doet de deltacommissaris voorstellen voor aanpassingen. Het eindresultaat is een nieuwe ‘foto’ van de opgaven, ambities, werkwijze en beoogde resultaten van het Deltaprogramma.

Eerste zesjaarlijkse herijking

De eerste zesjaarlijkse herijking is medio 2018 van start gegaan en loopt tot en met voorjaar 2020. DP2021 rapporteert over het resultaat.

Drie typen argumenten kunnen aanleiding zijn voor het aanscherpen, aanvullen of aanpassen van deltabeslissingen en regionale voorkeursstrategieën:

  1. wijzigingen in rekenmodellen (denk aan nieuwe parameters, gegevens of rekentechnieken);
  2. aannames die in DP2015 richtinggevend waren en nu bijstelling behoeven;
  3. nieuwe kennis en innovaties, sociaaleconomische of klimatologische ontwikkelingen en veranderde maatschappelijke voorkeuren.

Deltares heeft gecheckt of de eerste twee typen argumenten aan de orde zijn (zie www.deltacommissaris.nl). Daaruit bleek dat deze geen aanleiding geven voor aanpassing van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën. Voor het derde type argumenten heeft de Signaalgroep* geïnventariseerd of sprake is van relevante Deltaprogramma-brede ontwikkelingen. De Signaalgroep heeft geadviseerd om - in aanvulling op de ontwikkelingen die door de thema’s en gebieden zijn geïnventariseerd - bij de herijking aandacht te besteden aan de volgende waargenomen of potentiële toekomstige ontwikkelingen: versnelde zeespiegelstijging, toename van de kans op extreem hoge en extreem lage rivierafvoeren, veranderingen in landgebruik waaronder de woningbouwopgave, mogelijke toename van het neerslagtekort in het voorjaar en toename van het beregenbaar areaal, van neerslagintensiteit en van hittestress*.

De programmabureaus van de thema’s en de gebieden hebben regio- en themaspecifieke ontwikkelingen geïnventariseerd* en de resultaten voorgelegd aan de stuurgroepen voor Zoetwater en Ruimtelijke adaptatie, de bestuurlijke partners voor Waterveiligheid en de bestuurlijke overleggen in de regio’s. De Signaalgroep heeft de uitkomsten daarvan beoordeeld en in het najaar van 2018 besproken met de programmabureaus van de thema’s en de gebieden. Het eindresultaat vormt de scope voor de herijking en is eind 2018 besproken in de thematische en regionale stuurgroepen en vastgesteld door de Stuurgroep Deltaprogramma.

De analyses leiden tot de volgende conclusies op hoofdlijnen:

  • De deltascenario’s uit 2014 zijn de afgelopen jaren aangescherpt met nieuwe informatie uit de scenario’s voor Welvaart en Leefomgeving (WLO-scenario’s) en het ‘Parijs akkoord’. De conclusie is dat bij deze eerste zesjaarlijkse herijking beperkte aanpassingen van de deltabeslissingen en regionale voorkeursstrategieën volstaan om in te spelen op nieuwe inzichten in klimaatverandering.
  • De toekomstbeelden zijn nog onzeker. Daarom is het nodig te blijven investeren in onderzoek. Om beter zicht te krijgen op het tempo waarin de zeespiegelstijging zich op langere termijn ontwikkelt (na 2050), gaat een kennisprogramma van start. Het kennisprogramma brengt ook in beeld wat de mogelijke gevolgen van een eventuele versnelling van de zeespiegelstijging voor waterveiligheid en zoetwatervoorziening zijn.
  • Een aantal klimaatgerelateerde ontwikkelingen manifesteert zich nu al, wat in 2014 niet voorzien was. Dat geldt onder meer voor het nu al optreden van clusterbuien, droogte en verzilting. Deze ontwikkelingen vormen aanleiding voor mogelijke aanpassingen en aanscherpingen van regionale voorkeursstrategieën en onderdelen van deltabeslissingen.
  • Ook de verschillende gevolgen van laagwater (zoals hinder voor de scheepvaart bij lage rivierafvoeren) zijn aanleiding voor mogelijke aanpassingen, met name van de regionale voorkeursstrategieën voor Rijn en Maas. Deze worden meegenomen in het programma Integraal Riviermanagement (IRM).
  • Nieuwe inzichten worden ook benut om deltabeslissingen en voorkeursstrategieën aan te scherpen of te concretiseren.

Niet alle waargenomen ontwikkelingen leiden nu al tot een mogelijke aanpassing. In sommige gevallen is bijvoorbeeld eerst nader onderzoek nodig om te bepalen of daadwerkelijk sprake is van een trend die aanpassing vereist van de deltabeslissing of regionale strategie. Dit soort ontwikkeling komen opnieuw aan de orde bij de tweede zesjaarlijkse herijking.

De mogelijke aanpassingen van de deltabeslissingen en regionale voorkeursstrategieën zijn beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 5 (voor de deltabeslissingen Waterveiligheid, Zoetwater en Ruimtelijke adaptatie) en hoofdstuk 7 (voor de regionale voorkeursstrategieën). Deze aanpassingen worden de komende periode nader uitgewerkt. DP2021 beschrijft voorstellen voor aangepaste deltabeslissingen en regionale voorkeursstrategieën.

Integrale aanpak en participatie

De ambitie is waar mogelijk te kiezen voor een integrale aanpak van de opgaven van het Deltaprogramma en de participatie van overheden, bedrijven en burgers bij de voorbereiding van plannen en maatregelen te stimuleren. De systematiek ‘meten, weten, handelen’ brengt ieder jaar in beeld in welke mate de integrale aanpak en participatie tot stand komen.

Integrale aanpak

De systematiek ‘meten, weten, handelen’ onderscheidt drie ambitieniveaus voor een integrale aanpak: integrale doelen stellen, meekoppelen met andere opgaven in het ontwerp en de uitvoering en meekoppelen door kleine aanpassingen. Bij het uitwerken en implementeren van de regionale voorkeursstrategieën vindt in de meeste gevallen meekoppeling plaats met de andere opgaven van het Deltaprogramma (waterveiligheid, ruimtelijke adaptatie, zoetwater). In het rivierengebied krijgen de ambities voor integraliteit vorm in het kader van Integraal Riviermanagement (IRM). Zo wordt in IRM onder meer aandacht besteed aan de gevolgen van lage afvoeren voor de scheepvaart. Voor een integrale aanpak met opgaven buiten het Deltaprogramma - zoals circulaire economie, energietransitie en mobiliteit - is de ambitie vaak hoger: integrale doelen stellen. Dat geldt ook op het niveau van afzonderlijke maatregelen. Dat komt doordat een integrale aanpak de standaard werkwijze van het MIRT is. Zo zijn in het MIRT Onderzoek IJsselkop alle opgaven in het onderzoekgebied in beeld gebracht, zowel publieke opgaven (natuur, waterkwaliteit, scheepvaart, recreatie) als private opgaven (delfstofwinning, bedrijvigheid).

Met de komst van de Omgevingswet wordt een integrale benadering het uitgangspunt. Wateropgaven zijn vrijwel altijd deel van andere opgaven, zoals voor verstedelijking, landbouw, circulaire economie, natuur of energie. Overheden nemen integrale oplossingen op in de Omgevingsvisies.

Participatie

Voor participatie onderscheidt de systematiek ‘meten, weten, handelen’ vijf ambitieniveaus, in lijn met de participatieladder*: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en (mee)beslissen. Bij de implementatie van de regionale voorkeursstrategieën is coproduceren het meest gekozen ambitieniveau. Met name in de gebieden Maas, Zuidwestelijke Delta en IJsselmeergebied is participatie structureel verankerd in de werkwijze.

Voor participatie op projectniveau was de ambitie het afgelopen jaar in grote lijnen vergelijkbaar met het jaar daarvoor. De betrokkenheid van de deelprogramma’s van het Deltaprogramma bij de voorbereiding en realisatie van afzonderlijke projecten verschilt sterk. De inhoud van het project bepaalt voor een belangrijk deel welke invulling de participatie krijgt. De participatie op projectniveau laat dan ook een gevarieerd beeld zien. In de regionale voorkeursstrategie van Rijnmond-Drechtsteden is bijvoorbeeld voor het project ‘Optimalisatie Maeslantkering’ gekozen voor informeren en voor het project ‘Strategische adaptatieagenda buitendijks’ voor meebeslissen.

Enquête waardering Deltaprogramma

In 2013 heeft de Erasmus Universiteit Rotterdam op verzoek van de deltacommissaris met een enquête gepeild hoe de deltacommunity het Deltaprogramma waardeerde, welke elementen in het Deltaprogramma zij als waardevol ervoer en wat het Deltaprogramma had opgeleverd. In 2018 is opnieuw een enquête gehouden, met als doel de deltacommunity mee te laten denken bij de eerste zesjaarlijkse herijking van de deltabeslissingen en regionale voorkeursstrategieën. Deelnemers zijn benaderd op het Deltacongres en via tweets van de deltacommissaris en Deltanieuws. De resultaten staan sinds de zomer van 2019 op www.deltacommissaris.nl.

2.2Governance en borging

Beleidsplatform Waterveiligheid

In 2019 is het Beleidsplatform Waterveiligheid (BPWV) opgericht. Aanleiding was de behoefte aan meer afstemming en samenwerking bij vraagstukken over het waterveiligheidsbeleid. Het BPWV is, net als het Bestuurlijk Platform Zoetwater en de Stuurgroep Ruimtelijke adaptatie, onderdeel van de governance van het Deltaprogramma. De voorzitter rapporteert en adviseert aan de Stuurgroep Deltaprogramma en kan een dossier desgewenst ook in de Stuurgroep Water agenderen.

Verankering herijking

Het rijksbeleid dat voortkomt uit de huidige deltabeslissingen en voorkeursstrategieën van het Deltaprogramma staat in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Dit waterplan vormt daarmee de basis voor de maatregelen en voorzieningen die worden opgenomen in het Deltaprogramma. Als de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) gereed is, staat daar het strategisch waterbeleid in (met een doorkijk tot 2050), terwijl het Nationaal Waterplan de nadere uitwerking van dat beleid en de vertaling in uitvoeringsstrategieën geeft. De aanpassingen en aanvullingen van het rijksbeleid die uit de herijking van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën volgen, komen in het Nationaal Waterplan 2022-2027 te staan. Dit Waterplan komt tot stand volgens de regels van de Waterwet en sluit aan bij het beleid in de Nationale Omgevingsvisie. Op basis van het overgangsrecht bij de Omgevingswet wordt het Waterplan daarna omgevormd in verschillende programma’s: programma’s die verplicht zijn op grond van Europese richtlijnen en voor het resterende deel een nationaal waterprogramma.

Borging Deltaprogramma in provinciaal beleid

Provincies hebben de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën (DP2015) de afgelopen jaren verankerd in hun beleid, veelal in provinciale water- en milieuplannen en ruimtelijke plannen. Dit beleid wordt met de komst van de Omgevingswet grotendeels op een andere manier vastgelegd. Verschillende provincies hebben nu al een Provinciale Omgevingsvisie (POVI) vastgesteld of zijn ermee bezig. Klimaatadaptatie is daarbij vaak een van de hoofdopgaven. De inzet is meestal een gebiedsgerichte aanpak in samenhang met andere provinciale opgaven, zoals voor natuur, landbouw, woningbouw en de energietransitie. De komende periode gaan provincies op zoek naar de manier waarop ze het beste invulling kunnen geven aan hun ambities via (interbestuurlijke) uitvoeringsprogramma’s, investeringsprogramma’s, samenwerkingsafspraken en de omgevingsverordeningen.

2.3Kennis en nieuwe ontwikkelingen

Informatie over onderzoeken die specifieke thema’s of gebieden belichten staat in de hoofdstukken 3 tot en met 5 en 7. In aanvulling hierop is het Kennisprogramma Zeespiegelstijging van start gegaan, naar aanleiding van het rapport Deltares over de mogelijke effecten van zeespiegelstijging*. De kennis uit dit programma is voor alle thema’s en gebieden van het Deltaprogramma van belang. De nieuwe Topsectoren Missies en Nationale Wetenschapsagenda bieden kansen om deltavraagstukken samen met andere overheden, kennisinstellingen en bedrijven op te pakken. Het Deltaprogramma verbindt deze kansen zoveel mogelijk met het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK).

Kennisprogramma Zeespiegelstijging

Nederland is de veiligste delta ter wereld en wil dat - ook op lange termijn - blijven. Het Deltaprogramma voorziet al in maatregelen om Nederland te beschermen tegen de zeespiegelstijging. Hoe de zeespiegel zich na 2050 ontwikkelt en welke maatregelen daarvoor nodig en mogelijk zijn, is nog onvoldoende bekend. Om met die onzekerheid om te gaan, start in 2019 het Kennisprogramma Zeespiegelstijging* als onderdeel van het Deltaprogramma.

Wetenschappers uit de hele wereld onderzoeken in welke mate en hoe snel de zeespiegel zal stijgen. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) verwerkt de resultaten in mondiale klimaat- en zeespiegelscenario’s, die het KNMI vertaalt in scenario’s voor de Nederlandse situatie. Over deze scenario’s bestaat wetenschappelijke consensus. Daarmee vormen ze een goede basis voor het beleid en de voorkeursstrategieën van het Deltaprogramma. In de huidige klimaatscenario’s van het KNMI (uit 2014) varieert de zeespiegelstijging in Nederland van 0,3 tot 1 meter in 2100. Het Deltaprogramma houdt daarom rekening met de maximale stijging van 1 meter tegen het einde van deze eeuw. In september 2019 brengt het IPCC naar verwachting een nieuwe rapportage* uit. De minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) zal de Tweede Kamer hierover informeren. De volgende KNMI-klimaatscenario’s komen in 2021 gereed. Op basis daarvan vindt een actualisatie van de deltascenario’s plaats.

In 2018 heeft Deltares in opdracht van de deltacommissaris een verkenning uitgevoerd naar de mogelijke effecten van een eventueel versnelde zeespiegelstijging op onze waterkeringen, het kustfundament en de zoetwatervoorziening. Daaruit bleek dat een mogelijk versnelde zeespiegelstijging vanaf 2050 kan optreden en dan ingrijpende gevolgen kan hebben. Dat onderstreept dat het belangrijk is meer inzicht te krijgen in de mogelijke versnelling en de impact daarvan, door kennis te ontwikkelen en mogelijke oplossingen uit te werken. Daar is ook nog voldoende tijd voor. Zo kan Nederland ook na 2050 de veiligste delta ter wereld blijven.

De partners van het Deltaprogramma werken daarom samen met de kennisinstellingen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven aan de voorbereiding van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Hierbij zoeken ze zoveel mogelijk aansluiting bij activiteiten van andere departementen en lopende kennisprogramma’s. De Stuurgroep Deltaprogramma heeft in april 2019 de volgende doelen voor het Kennisprogramma geformuleerd:

  • de onzekerheden over de ontwikkelingen op Antarctica en de daarmee samenhangende zeespiegelstijging verkleinen;
  • in beeld brengen in hoeverre de huidige deltabeslissingen en voorkeurstrategieën houdbaar en oprekbaar zijn om bij de verwachte zeespiegelstijging het kustfundament, de waterkeringen en de zoetwatervoorziening op orde te houden;
  • verkennen wat de verschillende handelingsperspectieven voor de verre toekomst kunnen zijn en wat er op korte termijn nodig is om opties voor de verre toekomst open te houden.

Het kennisprogramma loopt tot 2026. De uitkomsten worden gebruikt bij de tweede zesjaarlijkse herijking van het Deltaprogramma, samen met de periodiek herziene scenario’s van IPCC en KNMI. Hiermee is het mogelijk adaptief in te spelen op een eventueel versnelde zeespiegelstijging na 2050, door aanpassingen door te voeren in het Deltaprogramma als dat nodig is.

Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging krijgt invulling via vijf sporen:

I. Antarctica: wat kunnen we verwachten?

Nederland zal in de internationale samenwerking bijdragen aan het fundamentele onderzoek naar Antarctica, vanuit onze expertise en het belang voor onze delta: welke mechanismen spelen op Antarctica, wat zijn de effecten daarvan op de snelheid van de mondiale zeespiegelstijging en wat zal de regionale impact zijn langs onze Noordzeekust?

II. Systeemverkenningen: wat is de houdbaarheid van de voorkeurstrategieën?

Het Kennisprogramma zal beter in beeld brengen wat verschillende zeespiegelscenario’s betekenen voor de werking van het natuurlijke (zandige) systeem van kust en rivieren, voor de keringen en kunstwerken, voor de zoetwaterbeschikbaarheid en voor gebruiksfuncties en ruimtegebruik, zoals de landbouw, natuur en scheepvaart. En vervolgens welke maatregelen denkbaar en effectief zijn om de houdbaarheid van de voorkeurstrategieën te versterken.

III. Signaleringsmethodiek: hoe weten we wanneer we moeten handelen?

De methodiek ‘meten, weten, handelen’ van het Deltaprogramma wordt verder uitgewerkt. Het tijdig oppikken van signalen is van belang omdat het realiseren van maatregelen veel tijd kost. Daarbij is het nodig niet alleen lokale fysische metingen – zoals langs de Nederlandse kust – en modellen te benutten, maar ook andere politiek-bestuurlijk relevante signalen, zoals effecten en maatregelen elders in de wereld.

IV. Alternatieven en adaptatiepaden: handelingsperspectief voor de verre toekomst?

Het Kennisprogramma heeft ook aandacht voor onzekerheden en scenario’s voor de verre toekomst. De zeespiegel stijgt ook na 2100 immers nog door. Dit spoor start met een analyse van plannen en initiatieven die er al liggen: wat valt hieruit te leren over mogelijke alternatieve strategieën voor de verre toekomst? Een keuze voor één bepaalde oplossingsrichting ligt de komende jaren niet voor de hand. Het onderzoek beoogt in beeld te brengen welke no-regret-keuzes en maatregelen nodig zijn om kansrijke opties voor de verre toekomst open te houden.

V. Implementatiestrategie

De zeespiegelstijging stelt ons niet alleen voor technische, maar ook voor sociale opgaven. Dit spoor onderzoekt kennisvragen rond governance, communicatie en transitiemanagement. Wat betekent de onzekerheid rond het thema zeespiegelstijging voor de wijze van besluitvorming? Hoe ontstaat voldoende bewustzijn bij overheden, maatschappelijke organisaties en het publiek? Is er draagvlak voor maatregelen die de komende decennia mogelijk nodig zijn? Hoe kunnen we de kennis en creativiteit in de samenleving mobiliseren? Wat kunnen we leren van andere transities over het inrichten van het proces?

De onzekerheden voor de verre toekomst zijn nog groot. De nadruk wordt daarom vooralsnog gelegd op spoor I om de onzekerheden te verkleinen (waarbij Nederland naar rato een steentje bijdraagt aan fundamenteel, internationaal onderzoek naar Antarctica, vanuit onze expertise en het specifieke belang voor onze delta) en vooral op spoor II: hoe ver reikt onze huidige strategie en wat is eventueel aan extra maatregelen nodig en mogelijk in de komende decennia? Het is van belang de discussie over toekomstige, veelal kostbare, strategieën en maatregelen in het kader van spoor IV zoveel mogelijk op basis van feiten uit spoor I en II te voeren. Daarom zal het accent van spoor IV in eerste instantie liggen op het inventariseren van bestaande plannen en het kanaliseren van nieuwe initiatieven om de waterveiligheid en zoetwatervoorziening op de lange termijn op orde te houden. Daarna komt het in beeld brengen van de no-regret-keuzes en maatregelen die in het kader van de herijking in 2026 moeten worden voorgesteld om mogelijke opties voor de verre toekomst open te houden.

Conferentie NKWK

Het Nationaal Kennis- in Innovatieprogramma (NKWK) bestaat dit jaar vijf jaar. In het NKWK werken overheden, bedrijven en kennisinstellingen gezamenlijk aan maatschappelijke vraagstukken op het gebied van water en klimaat. Daarmee is het een van de belangrijkste kennisprogramma’s voor het Deltaprogramma. Op 14 mei vond de lustrumconferentie plaats. De ruim 400 deelnemers - waarvan 60 jongeren - namen in workshops en excursies kennis van de resultaten van het NKWK, bijvoorbeeld over waterveiligheid, de klimaatbestendige stad, zeespiegelstijging, bodembeheer, Europese subsidies, droogte en bodemdaling. Tijdens de conferentie tekenden 40 partijen de Green Deal Aquathermie.

2.4Markt en innovatie

Innovaties zijn voor alle drie de thema’s van het Deltaprogramma een belangrijke en noodzakelijke voorwaarde om de opgaven voor 2050 te kunnen realiseren. De paragrafen 3.1, 4.1 en 5.1 gaan onder het kopje Kennis en innovatie in op de recente ontwikkelingen.

Rijkswaterstaat heeft met hulp van McKinsey een analyse uitgevoerd van de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW). De minister van IenW heeft hierover op 11 juni 2019 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd*. Als deze analyse betekenis heeft voor projecten in het Deltaprogramma, zal DP2021 daarover rapporteren.

Duurzaam en klimaatadaptief inkopen en aanbesteden

Bij inkopen en aanbestedingen liggen kansen om bij te dragen aan klimaatadaptatie en andere opgaven, met name op het gebied van duurzaamheid. Overheden zetten verschillende instrumenten in voor klimaatbewust opdrachtgeverschap.

In de Green Deal Duurzaam GWW 2.0 hebben waterschappen, provincies, Rijk en andere partijen afgesproken dat ze duurzaamheid - inclusief klimaatadaptatie - in 2020 op een gestructureerde wijze meenemen in alle GWW-projecten door de Aanpak Duurzaam GWW toe te passen. Deze aanpak omvat vier instrumenten. Met de Omgevingswijzer kan de organisatie een kwalitatieve impactanalyse uitvoeren en het gesprek daarover in gang zetten. Het Ambitieweb geeft op een gestructureerde wijze de duurzaamheidsambities van de organisatie weer en is ook te gebruiken om mogelijke ambities van het project of programma te visualiseren. Met DuboCalc is de duurzaamheid van een ontwerp te bepalen en met de CO2-Prestatieladder de meest CO2-bewuste aannemer.

Waterschappen zetten daarnaast het instrument Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) in om bij de inkoop van producten, diensten en werken rekening te houden met de effecten op mensen, het milieu en de welvaart.

2.5Internationale samenwerking

Wereldwijd groeit het aantal mensen dat bedreigd wordt door overstromingen, droogte of watervervuiling. Te veel, te weinig of te vies water speelt inmiddels een cruciale rol bij negentig procent van de natuurrampen op aarde.* De verwachting is dat de problemen verder toenemen. Dat vraagt een internationale aanpak voor een grotere weerbaarheid tegen klimaatverandering, betere waterveiligheid en waterzekerheid. Nederland doet veel kennis en ervaring op met het Deltaprogramma en presenteert de delta-aanpak regelmatig aan buitenlandse delegaties.

Exporteren van kennis uit het Deltaprogramma

Nederland is de best beveiligde delta ter wereld. De langetermijnstrategie en de aanpassing aan klimaatverandering zijn geborgd met nationaal beleid, goed bestuur, samenwerking met maatschappelijke partijen en innovaties. De lessen die Nederland heeft geleerd in het Deltaprogramma zijn ook waardevol voor andere landen en Nederland wordt regelmatig om kennis en kunde gevraagd. Staf deltacommissaris draagt bij aan de ontwikkeling en implementatie van deltaplannen in Bangladesh, Filipijnen, Vietnam en andere landen.

Actualisatie van de Internationale Waterambitie (IWA)

In de zomer van 2019 is de Internationale Waterambitie* geactualiseerd en aangeboden aan de Tweede Kamer. De geactualiseerde versie heet de Nederlandse Internationale Waterambitie (NIWA). De actualisatie heeft geleid tot betere aansluiting bij de prioriteiten van het kabinet en actuele water- en klimaatambities. Het gaat om een beperkte koerswijziging. De focus ligt nog steeds op delta’s (waterveiligheid), steden (wateroverlast) en kustvlaktes (zeespiegelstijging en verzilting) en het achterliggende stroomgebied. Nieuwe accenten zijn intensievere samenwerking met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over voedsel en water, multilaterale samenwerking en een sterkere aanjaagfunctie van de uitvoeringsagenda (handel en financiering). De aanbevelingen van het Global Center on Adaptation (GCA) en het Global Challenges rapport* zijn sturend voor de internationale activiteiten in het kader van de NIWA. Het vergroten van de weerbaarheid bij het veranderende klimaat is een proces van lange adem. Daarom wordt voorgesteld de looptijd van het NIWA te verlengen tot 2030, wat ook de horizon is voor de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties (SGD’s).

Global Center on Adaptation

Op 17 oktober 2018 opende voormalig VN-Secretaris-Generaal Ban Ki-Moon het Groningse kantoor van het Global Center on Adaptation. Een maand eerder, op 20 september, was het zusterkantoor in Rotterdam al geopend. Het GCA is een initiatief van Nederland, Japan, de Verenigde Naties en de Wereldbank. Doel is om klimaatadaptatie wereldwijd te stimuleren. Ook heeft Nederland in 2018, samen met zestien andere landen, het initiatief genomen voor een Global Commission on Adaptation. De Commissie heeft 30 leden, afkomstig uit de hele wereld. Onder hen zijn diverse huidige en voormalige regeringsleiders, CEO’s en maatschappelijk vertegenwoordigers. De Nederlandse minister van IenW is een van de commissieleden. De Global Commission on Adaptation staat onder voorzitterschap van Ban Ki-Moon, Microsoft-oprichter Bill Gates en de CEO van de Wereldbank Kristalina Georgieva. De Commissie wordt ondersteund door het Global Center on Adaptation en het World Resources Institute (WRI). De Delta Alliance (een samenwerkingsverband van TU-Delft, WUR/Wageningen Environmental Research, UNESCO-IHE en Deltares) levert inhoudelijke bijdragen. De Commissie presenteert haar eerste bevindingen tijdens de VN-klimaattop, in september 2019. Het eindrapport verschijnt tijdens de Climate Adaptation Action Summit, die op 22 oktober 2020 plaatsvindt in Nederland.

Watergezant, klimaatgezant en deltacommissaris

De internationale activiteiten van de Nederlandse watergezant, klimaatgezant en deltacommissaris hebben grote raakvlakken. De watergezant zet zich in internationaal verband in voor waterveiligheid en waterzekerheid en het politieke draagvlak voor deze onderwerpen. De klimaatgezant doet dat voor klimaatmitigatie. De deltacommissaris focust op de nationale activiteiten voor waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie, maar ontvangt regelmatig buitenlandse delegaties waarbij Nederlandse infrastructurele werken en projecten als showcase dienen. Ieder jaar bezoeken de deltacommissaris en de watergezant samen een pilot met internationale relevantie in Nederland om ervaringen uit te wisselen.

Blue Deal

De Blue Deal* (2018) heeft als doel 20 miljoen mensen in 40 stroomgebieden wereldwijd te helpen met schoon, voldoende en veilig water. De deelnemende partijen gaan langdurige partnerschappen aan met waterbeheerders in het buitenland voor de uitvoering van projecten. De waterschappen zijn nauw betrokken bij het Deltaprogramma en kunnen via de Blue Deal de opgebouwde kennis op een praktische manier overbrengen in buitenlandse projecten. De Nederlandse partijen brengen ook de delta-aanpak en de ervaring met ‘governance’ bij de watervraagstukken in.