5.1Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie

Het doel van de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van Nederland in 2050. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen handelen daarom vanaf 2020 klimaatbestendig en waterrobuust. Ze richten zich daarbij op de vier thema’s wateroverlast, droogte, hitte en de gevolgen van overstromingen. Bodemdaling vergroot de opgave voor ruimtelijke adaptatie en maakt daarom standaard deel uit van de stresstesten en risicodialogen die overheden uitvoeren.

5.1.1 Voortgang deltabeslissing

Stresstesten en risicodialogen

Het uitvoeren van stresstesten ligt op schema. In het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) is afgesproken dat uiterlijk eind 2019 alle overheden in Nederland de kwetsbaarheden voor weersextremen in beeld hebben gebracht met een stresstest. Halverwege 2019 heeft ruim 90% van de gemeenten voldaan aan deze eerste ambitie van het Deltaplan. Naar verwachting is dit percentage eind 2019 nog hoger. Ambitie 2 is dat alle overheden vóór eind 2020 risicodialogen hebben gevoerd. Een flink aantal lokale overheden heeft al dialogen gevoerd, maar in veel gevallen geldt dit nog niet voor de hele gemeente of het hele gebied van het waterschap of de provincie. Ambitie 3 is het opstellen van een uitvoeringsagenda, uiterlijk in 2020. Veel werkregio’s zijn hiermee bezig; enkele overheden hebben dit doel al bereikt.

Aan de ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie wordt gewerkt door gemeenten, waterschappen,provincies en rijk. Ze werken onder meer samen in 42 werkregio’s (zie kaart 3). De werkregio’s monitoren zelf de voortgang in hun gebied en rapporteren daarover. Zeven bestaande gebiedsoverleggen rapporteren op basis daarvan de voortgang aan de deltacommissaris. Uit de monitoring van begin 2019 blijkt dat in de meeste werkregio’s nog weinig kennis aanwezig is om de vervolgstappen na de stresstest te kunnen zetten. De verwachting is dat hier verandering in komt door de extra impuls aan procesondersteuning, door middel van cofinanciering van Rijk en regio’s. Deze impuls versterkt bewustwording, het voeren van risicodialogen en het opstellen van klimaatadaptatiestrategieën en uitvoeringsagenda’s. De klimaatadaptatie-opgaven komen hierdoor beter in beeld en worden concreet vertaald naar projecten en aanpassingen in beheerplannen, met de daarbij behorende budgetten en capaciteit.

Daarnaast werken Rijkswaterstaat en ProRail aan stresstesten voor hoofdwegen en spoor- en vaarwegen en het hoofdwatersysteem, om inzicht te krijgen in de kwetsbaarheid van de rijksinfrastructuur.

Nationale vitale en kwetsbare functies

In 2019 is de nationale aanpak van vitale en kwetsbare functies verbreed. Naast het verbeteren van de afstemming binnen – en tussen – departementen en sectoren, wordt nu op regionaal en lokaal niveau gekeken naar de kwetsbaarheid van vitale en kwetsbare functies. Uit interviews en werksessies bleek dat de verdeling van verantwoordelijkheden tussen betrokken partijen onvoldoende helder was, zowel tussen Rijk en regio als tussen publieke en private partijen. Ook bleek dat het delen van relevante (geo)data lastig is, omdat deze data vaak als strategisch en dus ‘vertrouwelijk’ worden beschouwd. Deze informatie is echter onmisbaar voor een overstromingsanalyse.

In Gelderland en Limburg zijn twee pilots uitgevoerd. Betrokken departementen, sectoren en decentrale overheden onderzochten hoe gebiedsgericht toegewerkt kan worden naar waterrobuustere vitale en kwetsbare functies. Daarbij is een koppeling gelegd tussen de Impactanalyses Overstromingsrisico’s van veiligheidsregio’s en klimaatstresstesten en risicodialogen van decentrale overheden. Uit deze pilots blijkt dat het van belang is dat de overheden – bij voorkeur op het ruimtelijk schaalniveau van provincies – gezamenlijk de stap zetten naar de (netwerk)beheerders van vitale en kwetsbare functies in de regio. Omdat het gaat om nationale vitale en kwetsbare functies, blijft het Rijk uiteraard een belangrijke gesprekspartner. Een andere bevinding is dat beheerders van nutsvoorzieningen (elektra, gas, telecom) bij voorkeur per functie worden benaderd omdat vertrouwelijkheid van geo-data een grote rol speelt. Door nutsbedrijven in afzonderlijke maatwerksessies van gedetailleerde (overstromings)informatie te voorzien, kunnen beheerders aangeven in welke gebieden sprake is van uitval, zonder dat geo-informatie over objecten moet worden gedeeld. De resultaten van de pilots worden in de tweede helft van 2019 samengevoegd met ervaringen van andere provincies, en voorzien van aanbevelingen voor de herijking van de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie voorgelegd aan de Stuurgroep Ruimtelijke Adaptatie.

De vijfde voortgangsrapportage Aanpak nationale Vitale en Kwetsbare functies is te vinden in Achtergronddocument C.

Gebiedsoverleggen en werkregio's Ruimtelijke adaptatie.
Kaart 3 Gebiedsoverleggen en werkregio's Ruimtelijke adaptatie.

Gevolgbeperking overstromingen

Een van de opgaven van het Deltaprogramma is het zodanig inrichten van de ruimte dat de gevolgen van overstromingen beperkt worden. Het gaat daarbij om het beperken van schade en slachtoffers, het verkorten van de hersteltijd na een overstroming en het beperken, uitstellen of voorkomen van dijkversterkingen op de lange termijn.
De werkgroep Gevolgbeperking overstromingen heeft in 2018 een advies opgesteld, dat is overgenomen door de Stuurgroep Deltaprogramma. De Stuurgroep Ruimtelijke adaptatie stuurt op de voortgang van de acties.

Met het besluit van de Stuurgroep Deltaprogramma blijft gevolgbeperking een volwaardig onderdeel van ruimtelijke adaptatie. In 2019 is het advies van de werkgroep geïntegreerd in de zeven ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (zie figuur 5). Zo zijn voor de stresstesten kaarten toegevoegd aan de Klimaateffectatlas met daarop plaatsgebonden overstromingskansen voor verschillende waterdiepten.

Advies werkgroep Gevolgbeperking overstromingen

De werkgroep Gevolgbeperking overstromingen adviseert:

  • Waterrobuust en klimaatbestendig bouwen is een voorwaarde voor een duurzame ontwikkeling van Nederland. Deze voorwaarde, die al zijn beslag heeft in de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie*, moet in 2020 zijn verankerd in beleid en in het concrete handelen.
  • Klimaatadaptatie omvat ook maatregelen om de gevolgen van een overstroming of zeer ernstige wateroverlast via de ruimtelijke inrichting zoveel mogelijk te beperken.
  • Gevolgbeperking overstromingen dient hiervoor te worden meegenomen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maar ook bij herstructureringen, beheer en onderhoud, (bedrijfs)investeringen en het opstellen van calamiteitenplannen van zowel publieke als private partijen.
  • Hiervoor is het in ieder geval nodig dat:
    • gevolgbeperking voor overstromingen volwaardig onderdeel wordt van het gebiedsgericht uitwerken van de eerste drie ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie: de stresstest, de risicodialoog/ambitiebepaling en het komen tot maatregelen. Hierbij is een koppeling nodig tussen ‘laag 2 en ‘laag 3’ (impactanalyses van de veiligheidsregio’s), een koppeling met de nationale aanpak Vitaal en Kwetsbaar en met de aanpak voor wateroverlast;
    • gevolgbeperking wordt geborgd in beleid en regelgeving (bijvoorbeeld omgevingsvisies) zodat er heldere beleidskaders komen over het acceptatieniveau van gevolgen en een (liefst juridisch afdwingbaar) instrumentarium;
    • Rijk, provincies en gemeenten zorgen voor verankering in alle omgevingsvisies, zodat (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een toename van slachtoffers en/of economische schade voor zover redelijkerwijs mogelijk. Rijk, provincies, gemeenten en waterbeheerders zorgen er tevens voor dat ze betrokken blijven bij het verder uitwerken van de omgevingsvisies in plannen en programma’s.
  • Het is essentieel dat gevolgbeperking zich niet beperkt tot de publieke partijen; het is een gezamenlijke aanpak en verantwoordelijkheid van publieke én private partijen, zoals de vitaal en kwetsbare sectoren, projectontwikkelaars en woningcorporaties.
Waterrisicoprofiel en -risicodiagram

Voor het meenemen van gevolgbeperkende maatregelen in de ruimtelijke inrichting ontbreekt een afwegingskader. Om toch tot een afweging te kunnen komen, zijn waterrisicoprofielen en waterdiagrammen ontwikkeld. De methode is ook beschreven in de bijsluiter van de gestandaardiseerde stresstest voor ruimtelijke adaptatie.
Het waterrisicoprofiel brengt voor een specifieke locatie in één oogopslag de hele range van mogelijke overstromingsscenario’s (hoofd- en regionaal watersysteem) in beeld, evenals de wateroverlastscenario’s. In één figuur staan de optredende waterdiepten met de bijbehorende herhalingstijden (zie figuur 3).

Waterriscioprofiel.
Figuur 3 Waterriscioprofiel.

Met het waterrisicodiagram (zie figuur 4) worden vervolgens de gevolgen van de overstroming bepaald. Dit gebeurt per functie of objecttype en samen met objectbeheerders en experts. De gevolgen zijn verdeeld in vier categorieën:

  • schade
  • slachtoffers
  • maatschappelijke ontwrichting (aantal dagen van uitval x het aantal gebruikers)
  • imago (inclusief milieuschade en andere indirecte effecten)

Het inschatten van de ernst van de gevolgen (catastrofaal, ernstig, etc.) maakt deel uit van de risicodialoog. Het waterrisicodiagram helpt bij het gesprek om te bepalen voor welke gebeurtenissen maatregelen gewenst zijn en welke categorie van gevolgen daarbij maatgevend is.

Waterrisciodiagram.
Figuur 4 Waterrisciodiagram.

Regionaal programma gevolgbeperking overstroming in Utrecht

De provincie Utrecht is in 2018 begonnen met een regionale samenwerking voor het beperken van de gevolgen van overstromingen. De gevolgen van overstromingen zijn inzichtelijk gemaakt en besproken met de gemeenten. Dit vergrootte het gevoel van urgentie en de bereidheid om deel te nemen aan het samenwerkingsverband. Het startsein van het regionale programma was de ondertekening van de Intentieverklaring Meerlaagsveiligheid Utrecht. Het programma richt zich op laag 2 en 3 van de meerlaagsveiligheid: het verder ontwikkelen en uitvoeren van maatregelen in de ruimtelijke inrichting (laag 2) en de rampenbestrijding en crisisbeheersing (laag 3). Het regionale programma richt zich ook op de herstelfase na een overstroming. De structuur van het samenwerkingsverband sluit zoveel mogelijk aan bij de werkregio’s. Deze wordt op gebiedsniveau verder uitgewerkt volgens het stramien gebiedsopgave-gebiedsambitie-handelingsperspectieven-vastleggen in beleid.

5.1.2 Mogelijke aanpassingen deltabeslissing

DP2021 zal voorstellen bevatten voor de herijking van de deltabeslissingen en regionale voorkeursstrategieën. Het voorliggende DP2020 brengt als eerste stap de mogelijke aanpassingen in beeld. Hoofstuk 2 geeft een beschrijving van dit proces.

In 2017 is de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie geëvalueerd. De conclusie was dat het nodig was om ruimtelijke adaptatie te versnellen en te intensiveren. Op basis daarvan is het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie opgesteld, met de zeven ambities waaraan momenteel wordt gewerkt.

In het verlengde van de lopende herijking van de deltabeslissing wordt onderzocht welke tussendoelen voor de periode 2020-2050 kunnen gelden. Ook wordt verkend of de termen klimaatbestendig en waterrobuust concreter in te vullen zijn, om te kunnen beoordelen of de doelstelling voor een klimaatbestendige waterrobuuste inrichting in 2050 wordt gehaald. Klimaatadaptatie moet ‘het nieuwe normaal’ worden bij ontwikkelingen in het ruimtelijk domein, zodat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht en bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaat voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Bij de herijking wordt ook gekeken naar de relatie tussen klimaatadaptatie en andere opgaven, zoals de energietransitie, de transitie naar kringlooplandbouw, biodiversiteitsherstel, cultureel erfgoed en de bouwopgave. In de herijking wordt een verbreding overwogen van de Nationale aanpak Vitaal en Kwetsbaar: van alleen overstroming naar alle klimaatdreigingen, dus ook wateroverlast, hitte en droogte.

5.1.3 Kennis en innovatie

In 2019 is extra geld beschikbaar gekomen voor onderzoek. Daardoor kregen kennisontwikkeling en kennisverspreiding een extra impuls. In 2019 is de Kennisaanpak DPRA opgesteld, gericht op de verbetering van de kennisinfrastructuur. Dankzij de Kennisaanpak is bestaande kennis makkelijker te vinden, wordt de beschikbare kennis vaker toegepast en vindt kennisontwikkeling plaats voor nieuwe vraagstukken.

In het kader van de Kennisaanpak DPRA worden bijeenkomsten georganiseerd die zich specifiek richten op kennisontwikkeling en kennisdeling. Daarnaast krijgt kennis een prominentere positie op het Kennisportaal Ruimtelijke adaptatie.

Het nationaal team Ruimtelijke adaptatie voert in 2019 het Onderzoeksprogramma DPRA 2019 uit, met drie onderzoekslijnen:

1. Toolontwikkeling (via Onderzoekconsortium NKWK-KBS)

In het voorjaar van 2019 zijn twee hulpmiddelen gelanceerd: de Klimaatschadeschatter (KSS) en de Toolbox Klimaatbestendige Stad (TKS). De KSS brengt de schade door klimaatverandering in beeld als er geen maatregelen genomen worden. De TKS bevat maatregelen, hun effectiviteit en hun kosten. In deze tool kunnen concrete maatregelen in een concrete locatie worden ingetekend en kan de kosteneffectiviteit worden bepaald. Beide tools zijn ontwikkeld via het Onderzoeksconsortium NKWK-KBS: het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat-Klimaatbestendige Stad. De tools zijn gratis beschikbaar op het Kennisportaal Ruimtelijke adaptatie. De tools worden in 2019 verder ontwikkeld, op basis van gebruikerservaringen. Daarnaast wordt in 2019 een tool ontwikkeld voor het maken van een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) van adaptatiemaatregelen.

2. Systeemkennis

Er lopen verschillende verkennende onderzoeken, onder meer over:

  • klimaatadaptatie en verdichting;
  • versnelde zeespiegelstijging en ruimtelijke kwaliteit;
  • de integrale aanpak van klimaatadaptatie en andere maatschappelijke opgaven;
  • concretisering van de termen ‘klimaatbestendig’ en ‘waterrobuust’;
  • de waterbehoefte van stedelijk gebied met en zonder adaptatiemaatregelen;
  • gedragsaanpassing.
3. Vraaggestuurd onderzoek (via Onderzoeksconsortium NKWK-KBS)

Het Platform Samen Klimaatbestendig speelt een belangrijke rol bij het ophalen van kennisvragen uit de praktijk. Het projectteam Kennisaanpak DPRA en het Onderzoeksconsortium NKWK-KBS zorgen er gezamenlijk voor dat deze vragen leiden tot een kennisprogramma en tot onderzoek. Vragen die nog niet beantwoord kunnen worden, komen terecht in de Kennisagenda van NKWK-KBS. Deze agenda is in de afgelopen jaren tot stand gekomen op basis van vele bijeenkomsten en vragen vanuit de praktijk.

Klimaatbestendige prins Bernhardstraat, Deventer

In de Prins Bernhardstraat in Deventer vindt praktijkonderzoek plaats naar varianten voor de afwatering, waarbij de wegfundatie als berging dient. In de straat zijn vakken met verschillende systemen aangelegd en er wordt gemonitord hoe deze functioneren. Ook worden de kansen voor een combinatie met het warmtenet onderzocht. De gemeente Deventer voert dit onderzoek uit met Waterschap Drentse en Overijsselse Delta, provincie Overijssel, een adviesbureau en de aannemer.

5.2Deltaplan Ruimtelijke adaptatie: de maatregelen om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten

Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie omvat de maatregelen om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten, toegespitst op zeven ambities (zie figuur 5).

De 7 ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie.
Figuur 5 De 7 ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie.

5.2.1 Kwetsbaarheid in beeld brengen

Halverwege 2019 heeft ruimt 90% van de gemeenten voldaan aan deze eerste ambitie van het Deltaplan. Naar verwachting is dit percentage eind 2019 nog hoger.

In januari 2019 verschenen de nieuwe standaarden voor de stresstesten voor wateroverlast, hitte, droogte en de gevolgen van overstromingen. Een deel van de standaarden is

als kaartmateriaal ontsloten via de Klimaateffectatlas en kan, in gebieden waar al een stresstest is gedaan, eenvoudig naast de eigen resultaten worden gelegd. De standaarden zullen zich blijven ontwikkelen, onder andere op basis van ervaringen en wensen van gebruikers. Ook nieuwe wetenschappelijke inzichten, zoals de KNMI-scenario’s in 2021, kunnen leiden tot aanpassingen.

Stresstest Goeree-Overflakkee

De gemeente Goeree-Overflakkee wil zich goed voorbereiden op een extremer klimaat. Samen met de provincie Zuid-Holland en Waterschap Hollandse Delta heeft de gemeente meldingen, metingen en kennis (onder meer uit de provinciale Klimaatatlas Zuid-Holland) bij elkaar gebracht in de Stresstest Goeree-Overflakkee. De stresstest geeft bijvoorbeeld de locaties waar de riolen bij extreem veel regen overstromen en waar de waterkwaliteit onder druk komt te staan na een lange, zeer warme periode. Ook staat erin wat warmer en zonniger weer betekent voor de recreatiesector en wonen. De gemeente gaat op basis van de stresstest in gesprek met verschillende partijen op het eiland over manieren om de vervelende effecten zoveel mogelijk te beperken en te profiteren van de leuke effecten van klimaatverandering.

De standaarden zijn geen normen voor ruimtelijke adaptatie. De stresstest levert een beeld van de kwetsbaarheid van een gebied. Dat beeld wordt gebruikt om per regio een ambitie te bepalen met behulp van risicodialogen. Ook vormen de standaarden geen kant-en-klaar bouwpakket; er zijn allerlei afwegingen nodig. Daarom is een bijsluiter gemaakt: een bundeling van instructies voor het uitvoeren van de stresstest en gebruiksaanwijzingen voor het interpreteren en toepassen van de uitkomsten. De bijsluiter ondersteunt het maken van keuzes: wat is belangrijk om door te (laten) rekenen? Hoe diepgravend gebeurt dat, en waarom? Welke informatie is nodig? Hoe moet worden omgegaan met onzekerheden? Deze keuzes kunnen leiden tot aanvullend maatwerk, want er zijn regionale verschillen die niet worden afgedekt door standaarden.

Klimaateffectatlas

De Klimaateffectatlas is een voor iedereen toegankelijke website. De informatie geeft een eerste beeld van de kwetsbaarheden voor weersextremen en klimaatverandering in een bepaald gebied. Diverse kennisinstellingen en adviesbureaus zijn betrokken bij de Klimaateffectatlas en de beschikbare kaarten zijn gebaseerd op de meest recente klimaatscenario’s. De inzichten in de effecten van klimaatverandering worden regelmatig bijgesteld. Zo zijn in 2018 nieuwe neerslagkaarten verwerkt. Vooral voor kleine gemeenten zijn laagdrempelige, openbare tools als de Klimaateffectatlas van belang. Ze kunnen hiermee voldoen aan ambitie 1 – kwetsbaarheden in beeld brengen – van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. Stichting CAS, de beheerder van de Klimaateffectatlas, levert de GIS-data gratis en op maat. In de tweede helft van 2019 vindt een update plaats van de Klimaateffectatlas.

Stresstesten Fryslân

Werkregio Fryslân heeft de stresstesten in 2018 afgerond en opgenomen in de Friese Klimaatatlas. Deze atlas, die verder wordt ontwikkeld, wordt gebruikt voor de klimaatdialogen in 2019. De resultaten daarvan zijn niet alleen input voor het water- en klimaatbeleid van de verschillende partners, maar ook voor de Friese Klimaatadaptatiestrategie. De strategie geeft oplossingsrichtingen en geeft richting aan de borging van ruimtelijke adaptatie in (omgevings)visies, beleid en projecten. Inzet is om zoveel mogelijk mee te liften met bestaande ontwikkelingen en processen en gebruik te maken van bestaande netwerken. De partijen willen ruimtelijke adaptatie zo snel mogelijk integraal onderdeel laten zijn van beleid en projecten en een visie ontwikkelen op een leefbaar Fryslân met 2100 als horizon.

5.2.2 Risicodialoog voeren en strategie opstellen

Veel gemeenten, waterschappen,provincies en rijk hebben inmiddels een risicodialoog gevoerd of zijn bezig met de voorbereidingen. De verwachting is dat vrijwel alle partners in 2020 een risicodialoog gevoerd hebben. De resultaten van de stresstesten vormen de basis voor de gesprekken. De risicodialoog draagt bij aan bewustwording: het besef dat het gebied kwetsbaar kan zijn voor klimaatextremen. De deelnemende partijen bespreken hoe ze de kwetsbaarheden kunnen voorkomen en welke concrete maatregelen mogelijk zijn. Ook komen de kansen ter sprake voor het behalen van andere doelen – zoals het vergroten van de leefbaarheid, de energietransitie, biodiversiteitsherstel en het verduurzamen van de landbouw. Het is van belang dat ook inwoners en bedrijven deelnemen aan de risicodialoog. Immers: meer dan de helft van Nederland is in particulier bezit. De uitkomsten van de risicodialoog worden vastgelegd in afspraken. Door alle overheden moet voor eind 2020 een risicodialoog gevoerd zijn.

De risicodialoog draait om organisatie, communicatie en participatie. Het nationaal team Ruimtelijke adaptatie verzamelt en ontwikkelt instrumenten die helpen bij het voorbereiden en het voeren van de risicodialoog en bij het vastleggen van de resultaten. In 2018 is een verkenning uitgevoerd naar de manier waarop overheden ondersteund willen worden bij het voeren van risicodialoog. De uitkomsten hiervan – en de ervaringen tijdens bijeenkomsten en diverse acties uit het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie – vormen de basis voor een aantal instrumenten. Er is een pagina over de risicodialoog op het Kennisportaal ruimtelijke adaptatie, met uitleg, tips en goede voorbeelden. Deze informatie is in 2019 uitgebouwd. Kennis over de risicodialoog wordt actief gedeeld via het Platform Samen Klimaatbestendig, diverse netwerken (zoals de City Deal Klimaatadaptatie en het KANS-netwerk) en de werkregio’s. Via het stimuleringsprogramma kunnen overheden concrete procesondersteuning krijgen. In de tweede helft van 2019 verschijnt een ‘handreiking risicodialoog’, die overheden via een interactieve omgeving ondersteunt bij het doorlopen van de stappen voorbereiden, voeren en afronden. De handreiking geeft antwoord op vragen over de mogelijke risico’s en de inschatting ervan, het benutten van kansen, de inzet die daarvoor nodig is en de strategische keuzes die gemaakt kunnen worden.

De Rijkdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en STOWA maken een handboek Stadsgenese, waarin ze de koppeling leggen tussen bodem, ondergrond, watersystemen en het bebouwde oppervlak. Met de pilotsteden Breda, Culemborg, Nijmegen, Haarlem en Amersfoort voeren ze eerst een verkenning uit. Eind 2019 verschijnt het boek in de vorm van een werkboek bij een cursus voor overheden.

Risicodialoog Groningen

In de gemeente Groningen zijn de resultaten van de stresstest in vijf bijeenkomsten besproken met vertegenwoordigers van een groot aantal sectoren. Daarbij is bewust voor grotere organisaties gekozen en niet zozeer voor burgers. In de gesprekken stond bewustwording centraal. Als vervolg daarop loopt nu een participatieproces om te komen tot een ambitie en strategie. Daaraan doen naast de grotere organisaties ook inwoners en ondernemers mee. De inzet is wijkgericht te werken en zo mogelijk een koppeling te maken met de wijkenergieplannen.

Rotterdams Weerwoord

De gemeente Rotterdam, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Waterschap Hollandse Delta, Hoogheemraadschap van Delfland en Evides Waterbedrijf hebben met het Urgentiedocument Rotterdams Weerwoord en de bijbehorende gezamenlijke intentieverklaring een volgende stap gezet in de klimaataanpak van de stad. Hierin omschrijven ze ambities en doelen voor een klimaatbestendig Rotterdam op basis van nieuwe klimaatinzichten en stresstesten. Die worden de komende periode samen met vele partijen in de stad uitgewerkt in maatregelen die publieke en private partijen – al dan niet samen – kunnen uitvoeren. De nu vastgestelde ambities richten zich op kaders voor de inrichting van de openbare ruimte, scholen en sportvelden, de verankering van overwegingen over klimaatadaptatie in processen en organisaties en innovatie en voorbeeldprojecten, risicodialoog en wijkaanpak, brede communicatie, een nieuwe stimuleringsregeling, regelgeving en afspraken, kennisuitwisseling en (inter)regionale samenwerking en multifunctionele daken.

5.2.3 Uitvoeringsagenda opstellen

De inzet van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is dat de overheden uiterlijk in 2020 een uitvoeringsagenda opgesteld hebben. In de uitvoeringsagenda staan een planning en een budget voor de maatregelen die nodig zijn om de ambities zoals benoemd in de risicodialoog te kunnen realiseren. Alle uitvoeringsagenda’s samen leiden tot een landsdekkend beeld van de klimaatadaptatie-opgaven.

Uitvoeringsprogramma Zuid-Nederland 2.0

In Zuid-Nederland werkt de regio aan het Uitvoeringsprogramma Zuid-Nederland 2.0 (UPZN 2.0) als volgende stap in klimaatadaptatie. Het programma bouwt adaptief voort op de uitvoeringsagenda 1.0 en brengt voorbeelden, voortgang, voorgenomen maatregelen en kennisvragen in beeld. Het doel is ook de betrokkenheid van gemeenten en werkregio’s bij de uitvoering van klimaatadaptatie te vergroten.

Klimaatrobuust Hoogeveen

In 2018 stelde de gemeenteraad van Hoogeveen de visie 'Klimaatrobuust Hoogeveen' vast. Bij de visie hoort een uitvoeringsprogramma (‘handelen zonder visie is dom, maar een visie zonder handelen zo mogelijk nog dommer’). Onderdelen van het uitvoeringsprogramma zijn het klimaatrobuust maken van de LIOR* of civiel technische standaard, een waterstructuur aanleggen van het centrum naar de stadsrand en klimaatadaptief denken en doen van buitendienstmedewerkers en wijkbeheerders bij elkaar brengen.

Cultureel Erfgoed als kennisbron voor integrale aanpak

Erfgoed speelt een rol van betekenis bij het bepalen van de kwetsbaarheden en het zoeken naar ruimtelijke oplossingen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft hier een aantal hulpmiddelen voor ontwikkeld. De Waterposter geeft aan hoe erfgoedbeheerders hun erfgoed en collecties kunnen beschermen tegen water. De kaart Waterberging laat historische ruimtelijke oplossingen voor wateroverlast zien (waterlopen, stadsontwikkeling). Ook is er een stappenplan om cultuurhistorie te benutten als kennisbron voor de kwetsbaarheidsanalyse en het vinden van passende ruimtelijke adaptatiemaatregelen. De tools van RCE zijn gekoppeld aan de bijsluiter van de stresstest en vindbaar op het Kennisportaal Ruimtelijke adaptatie.

5.2.4 Meekoppelkansen benutten

Steeds vaker wordt nagedacht over het slim meekoppelen van klimaatadaptatiemaatregelen met andere opgaven in de fysieke leefomgeving. Zeker in stedelijk gebied biedt dit meekoppelen allerlei kansen: de uitvoering van maatregelen kan versnellen, er is minder vaak overlast voor bewoners en bedrijven en er zijn financiële voordelen.

De ambitie ‘meekoppelen’ maakt een logisch onderdeel uit van de andere ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. Meekoppelen is een van de onderwerpen tijdens de risicodialoog, waar niet alleen wordt gesproken over ruimtelijke adaptatie, maar ook over de samenhang met andere maatschappelijke opgaven op straat-, wijk- en gebiedsniveau. De Impactprojecten van het Stimuleringsprogramma laten goede voorbeelden zien, zoals het meekoppelen van klimaatadaptatie met de aanleg van warmtenetten.

Klimaatstraat Nieuwdorp (impactproject)

De Prinses Margrietstraat en de Hertenweg in Nieuwdorp (gemeente Borsele) moeten de eerste klimaatstraten in Zeeland worden, met uitsluitend energieneutrale huizen en een inrichting die zowel hoosbuien als extreme droogte aankan. Inwoners, gemeente en andere betrokkenen bedenken samen wat er mogelijk is.

Multifunctionele waterberging in Wolvega

In Wolvega is een nieuwe waterberging aangelegd, met ruimte voor natuur en recreatie. Dit project is tot stand gekomen door samenwerking tussende provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân, de gemeente Weststellingwerf en It Fryske Gea. Het proces heeft twaalf jaar geduurd; de waterberging is in 2017 in gebruik genomen. De waterafvoer in Wolvega is sindsdien flink verbeterd. De aanleg van de waterberging was minder duur dan het aanleggen van een grotere rioleringsbuis. Bovendien zuivert de bergingsvijver het regenwater en ontstond een mooi natuurgebied, met veel ruimte voor recreatie. In overleg met de bewoners van een woon-zorginstelling is een breed pad aangelegd voor rolstoelgebruikers.

Erfgoed Deal koppelt ruimtelijke opgaven

Op 21 februari 2019 ondertekenden diverse overheden en maatschappelijke organisaties de Erfgoed Deal. Hierin zijn afspraken gemaakt over het benutten van erfgoed bij de grote ruimtelijke opgaven van dit moment: de energietransitie en verduurzaming, klimaatadaptatie en stedelijke groei en krimp. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) trekt in de periode 2019-2022 € 20 miljoen uit voor het vinden van oplossingen voor dit soort uitdagingen. Daarbij is ook aandacht voor cultureel erfgoed als ontwerpkracht. Gemeenten en provincies verdubbelen dit bedrag tot een totaal van ongeveer € 40 miljoen.

Een voorbeeld van het benutten van cultureel erfgoed voor klimaatadaptatie is het hergebruiken van locaties en methodes uit het verleden. Zoals het inzetten van watermolenvijvers voor waterberging.

Bodemdaling in Gouda gezamenlijk aanpakken

De Goudse binnenstad heeft al eeuwenlang te maken met bodemdaling. Dat leidt tot veel overlast in delen van de stad. Zonder maatregelen in de ondergrond en bouwkundige maatregelen zal een steeds groter gebied hiermee te maken krijgen. Bij het formuleren van een duurzame aanpak komen veel aspecten samen, zoals (grond)waterbeheer, riolering, gezondheidszorg, economische ontwikkeling, recreatie, fundering van historische panden en de energietransitie. Voor deze aspecten is niet alleen de overheid verantwoordelijk, want ongeveer twee derde van de oppervlakte van de binnenstad is in private handen. Het is dus een gezamenlijke opgave en normen ontbreken grotendeels. In Gouda draait het om de vraag welke kwaliteit van wonen, werken en leven in de toekomst voor de binnenstad gewenst is en hoe de kosten van maatregelen verdeeld kunnen worden op een maatschappelijk aanvaardbare manier. In de delen van de binnenstad waar nu al overlast is, wordt gezamenlijk gezocht naar concrete – tijdelijke – oplossingen. Inwoners en ondernemers van de binnenstad worden betrokken bij de keuze voor oplossingen. De besturen van het hoogheemraadschap en de gemeente stellen de aanpak uiteindelijk vast.

5.2.5 Stimuleren en faciliteren

De minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft extra geld ter beschikking gesteld voor het stimuleren en faciliteren van klimaatadaptatie: in totaal € 20 miljoen voor 2019 en 2020. Dit bedrag is aanvullend op het lopende stimuleringsprogramma. Het is bedoeld voor procesondersteuning, pilots en kennisontwikkeling en kennisdeling. De opgedane kennis is beschikbaar via het Kennisportaal en het Platform Samen Klimaatbestendig.

Het Rijk werkt daarnaast aan een wijziging van de Waterwet. Deze wijziging maakt het mogelijk om uit het Deltafonds ook bijdragen te kunnen verstrekken aan decentrale overheden voor het nemen van maatregelen tegen wateroverlast. Ook wordt een tijdelijke impulsregeling voorbereid. Hierin wordt uitgewerkt voor welke maatregelen en voorzieningen en onder welke voorwaarden decentrale overheden in aanmerking komen voor een financiële bijdrage. Naar verwachting treden de wetswijziging en de tijdelijke impulsregeling op 1 januari 2021 in werking.

Procesondersteuning

De ‘procesondersteuning regionale versnelling’ is bedoeld voor het versnellen van klimaatadaptatie in de regio. Decentrale overheden kunnen deze extra bijdrage gebruiken voor ondersteuning bij de eerste drie ambities uit het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie: stresstesten uitvoeren, risicodialoog voeren en strategie opstellen en een uitvoeringsagenda opstellen. Er zijn 66 aanvragen ingediend die het totaal beschikbare bedrag van € 6 miljoen ruimschoots overstegen. Na afweging van de voorstellen zijn 47 aanvragen gehonoreerd. Het nationaal team Ruimtelijke adaptatie monitort de uitvoering van de procesondersteuning en deelt de goede voorbeelden en opgedane kennis via het Kennisportaal en het Platform Samen Klimaatbestendig.

Pilots uitvoeringsprojecten

Er zijn middelen gereserveerd om regio’s die de adaptatieopgave al in beeld hebben gebracht te ondersteunen met uitvoeringspilots. Doel van deze pilots is het opdoen van praktijkkennis over het (uitvoerings)proces en de effectiviteit van maatregelen. Met de opgedane kennis kunnen de overige decentrale overheden hun voordeel doen. De bijdrage van het Rijk dekt maximaal 50% van de totale projectkosten. Voor 2019 zijn drie pilots geselecteerd:

  • klimaatadaptieve herstructurering van verschillende typen woonwijken in de regio Utrecht;
  • koppelkansen klimaatadaptieve inrichting en aardgasvrije wijk Paddepoel in Groningen;
  • gebiedsaanpak Meerssen.

Voor deze pilots is € 5,2 miljoen beschikbaar. In november 2019 start de uitvraag voor pilots uitvoeringsprojecten in 2020, waarvoor € 4,8 miljoen beschikbaar is.

Financiële prikkels

Financiële prikkels kunnen inwoners en bedrijven stimuleren om hun eigen terrein klimaatbestendig in te richten. Decentrale overheden hebben hier veel belangstelling voor. Dat bleek in 2018 uit een haalbaarheidsonderzoek onder gemeenten, waterschappen en provincies. In het voorjaar van 2019 zijn vier pilots gestart – in Son en Breugel, Dordrecht, Rucphen en Rotterdam in samenwerking met Hoogheemraadschap Delfland – die experimenteren met differentiatie van de rioolheffing en subsidiëring van vergroening. In oktober 2019 volgt een uitvraag voor nog vier pilots. Hiervoor is € 80.000 gereserveerd. De resultaten zijn eind 2020 beschikbaar. In juni 2019 hadden negen gemeenten en waterschappen zich aangesloten bij de Alliantie financiële prikkels voor klimaatadaptatie. Hierin leren ze van elkaar, van de lessen uit de pilots en werken ze gezamenlijk onderzoeksvragen uit, zoals: hoe toetsen ze percelen, hoe vereenvoudigen ze de keuze voor een goede mix van maatregelen en hoe onderzoeken ze de effectiviteit ervan? Hebben de maatregelen geleid tot gedragsverandering bij inwoners en bedrijven?

Impactprojecten

De acht Impactprojecten van de vierde tranche van het Stimuleringsprogramma laten in 2019 zien hoe de dialoog over klimaatadaptatie wordt gevoerd. Het zijn voorbeelden van een straat-, wijk- en gebiedsgerichte aanpak waarin klimaatadaptatie een vanzelfsprekende plek krijgt. Via een bijdrage van € 25.000 per impactproject worden overheden die ze uitvoeren geholpen en andere overheden met resultaten geïnspireerd. Zoals bij het meekoppelen van de klimaatopgave met andere maatschappelijke en ruimtelijke opgaven en de uitdaging dit te borgen in reguliere processen en plannen voor gebiedsontwikkeling. Het gezamenlijk vanuit ieders perspectief afwegen van risico’s, maatregelen en betaalbaarheid hiervan staat in de meeste impactprojecten centraal. Het impactproject Design Thinking is in de eerste helft van 2019 afgerond. Het heeft concrete voorbeelden opgeleverd van de manier waarop risicodialogen in Noord-Brabant worden gevoerd. De andere impactprojecten lopen nog.

Platform Samen Klimaatbestendig

Het platform Samen Klimaatbestendig is een belangrijke schakel tussen beleid en praktijk. Het platform is opgericht in 2018 en op basis van de positieve ervaringen is besloten de activiteiten voort te zetten tot en met 2020. Het ministerie van lnfrastructuur en Waterstaat heeft hiervoor middelen beschikbaar gesteld vanuit de extra impuls van € 20 miljoen. Samen Klimaatbestendig biedt ondersteuning op lokaal niveau, zorgt voor onderlinge verbinding en voor verbreding naar landelijk niveau. Het platform levert enerzijds praktijkinzichten voor de nationale beleidsontwikkeling, anderzijds vertaalt het nationale beleidslijnen en afspraken – zoals het inrichten van werkregio's en het voeren van risicodialogen – naar de lokale situatie.

Samen Klimaatbestendig wordt benaderd door partijen uit heel Nederland. Gemeenten, waterschappen en provincies stellen vaak vragen over de verbreding van klimaatadaptatie: van de ene gemeentelijke dienst naar de andere diensten, van overheid naar private partijen, van project naar programmamanagement. Bij veelgestelde vragen zorgt Samen Klimaatbestendig ervoor dat goede voorbeelden beter ontsloten worden. Zoals over de manier waarop gemeenten of waterschappen initiatieven voor klimaatbestendige tuinen kunnen oppakken of acties die woningcorporaties richting hun huurders kunnen ondernemen. Deze ‘themasprints’ doet Samen Klimaatbestendig samen met de betreffende sectoren, zodat de opschaling van kennis plaatsvindt via de natuurlijke kanalen van de eindgebruikers. Samen Klimaatbestendig is de logische gesprekspartner voor partijen die relatief onbekend zijn in het klimaatadaptatienetwerk, zoals verenigingen van verzekeraars, huizenbezitters en tuincentra.

In 2019 gingen veel vragen over risicodialogen, de toepassing van de Omgevingswet en de integratie van de energietransitie en klimaatadaptatie. Een risicodialoog is maatwerk, daarom stimuleert Samen Klimaatbestendig vooral uitwisseling van vergelijkbare situaties en ervaringen, zodat iedereen het goede voorbeeld op maat kan vinden. Een belangrijk resultaat van Samen Klimaatbestendig is het vergroten van de directe interactie tussen klimaatadaptatieprofessionals onderling, op diverse manieren: via regionale evenementen, social media, forums en andere kanalen. Deze infrastructuur wordt in 2020 verder uitgebouwd.

Kennisportaal

Het Kennisportaal Ruimtelijke adaptatie is een belangrijke informatiebron voor iedereen die werkt aan klimaatadaptatie. Bezoekers vinden hier praktische informatie, hulpmiddelen, voorbeelden en nieuwsberichten. Het portaal trekt gemiddeld 500 bezoekers per dag; het aantal vragen aan de Helpdesk verdubbelde het afgelopen jaar tot bijna 300. Begin 2019 zijn verbeterpunten doorgevoerd op basis van ervaringen, gebruikersbijeenkomsten en de vragen die bij de Helpdesk binnenkomen. Ook zijn recente producten toegevoegd, zoals de bijsluiter voor de gestandaardiseerde stresstest, informatie over de risicodialoog, het vernieuwde Stimuleringsprogramma en hulpmiddelen als de Klimaatschadeschatter en de Toolbox Klimaatbestendige Stad (beide ontwikkeld door het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat).

In 2019 wordt gewerkt aan een betere herkenbaarheid van de zeven ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. De meeste informatie komt ook beschikbaar in het Engels, om tegemoet te komen aan vragen uit het buitenland naar de Nederlandse ervaringen op het gebied van portalen. Hierover wordt kennis uitgewisseld tijdens bijeenkomsten en congressen over de hele wereld.

De informatie over de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) wordt steeds verder uitgebreid, onder meer met de gevolgen van klimaatverandering voor diverse sectoren, informatie over klimaatadaptatiedialogen en nieuws over de LIFE IP-aanvraag. Eind 2018 is de (interactieve) NAS-adaptatietool gelanceerd. Deze tool visualiseert de gevolgen en risico’s van klimaatverandering en geeft gebruikers de mogelijkheid om een visualisatie op maat te maken.

City Deal Klimaatadaptatie

De City Deal Klimaatadaptatie is onderdeel van Agenda Stad: een samenwerking van het Rijk, steden, provincies en maatschappelijke partners, gericht op het versterken van groei, innovatie en leefbaarheid van de Nederlandse steden. Doel van de City Deal Klimaatadaptatie is het bereiken van een doorbraak in de aanpak van klimaatadaptatie in steden. De partijen werken in concrete projecten aan nieuwe vormen van governance en financieringsconstructies en aan innovatieve oplossingen voor klimaatadaptatievraagstukken. In sommige projecten draait het vooral om het combineren van kennis en ervaringen, in andere om het samen experimenteren en het versnellen van vernieuwingen. Er zijn vier thematische werkgroepen: Klimaatrobuuste gebiedsontwikkeling, Maatschappij in beweging, Nature Based Solutions en Meerlaagsveiligheid. In september 2018 – halverwege de looptijd van vier jaar – verscheen het tijdschrift ‘Het klimaat in 10 steden’. Daarin staan de ambities voor de resterende twee jaar.

In het kader van de City Deal ‘Waarde van Groen en Blauw in de stad’ zijn verschillende modellen ontwikkeld die de maatschappelijke voordelen van groen en blauw in de stad in beeld brengen. Binnen de City Deal worden de TEEB-stad tool en de Atlas Natuurlijk Kapitaal verder doorontwikkeld en zoveel mogelijk geïntegreerd en samengebracht in de Groene Baten Planner, zodat ze beter aansluiten bij de praktijk. Uiteindelijk is het doel om, met behulp van de tools, de baten van groen en blauw nadrukkelijker mee te laten wegen bij de klimaatbestendige herinrichting van steden.

Living lab Dordrecht

Sinds 17 mei 2017 is Dordrecht officieel een Living Lab. Waterschap Hollandse Delta, de provincie Zuid Holland en de gemeente Dordrecht werken samen aan de klimaatbestendigheid op het Eiland van Dordrecht. Ze doen dat met een combinatie van onderzoek, innovatie en praktijk op het gebied van groenblauwe maatregelen. Het doel van Living Lab Dordrecht is om nieuwe werkwijzen te ontwikkelen en toe te passen. En ook om lessen op te doen in het kader van de ‘pilotparadox’: niet altijd leidt een pilot tot een structurele andere manier van werken. Een evaluatie van de Erasmus Universiteit heeft een aantal lessen opgeleverd: zorg voor een goede verbinding tussen de betrokken organisaties en de pilot; houd de relatie met beleid in de gaten; baken de pilot af; reserveer tijdig voldoende middelen.

Deze leerervaringen worden opgeschaald naar (inter)nationale schaal. Hiervoor worden koepels ingezet (VNG, UvW en IPO), stichting RIONED, STOWA en de City Deal Klimaatadaptatie. In het Europese Interreg-project BEGI werken 16 partners uit 7 landen samen om barrières te doorbreken op het gebied van co-creatie en de ondersteuning van maatschappelijke initiatieven. Dordrecht is Lead Partner van dit project.

5.2.6 Reguleren en borgen

Uit de monitoring blijkt dat naar alle waarschijnlijkheid in 2020 niet voor alle gemeenten geldt dat ruimtelijke adaptatie in alle beleidsdocumenten is verankerd. Verwachting is dat dit pas bij het opstellen van de omgevingsvisies zal worden voltooid. Decentrale overheden zullen uiterlijk in 2022 verkennen of een aanpassing van decentrale regelgeving nodig is om het doel te bereiken. Het Rijk heeft, samen met decentrale overheden, in 2018 en 2019 verkend of (bouw)regelgeving belemmerend werkt om te komen tot een klimaatbestendige inrichting. Uit deze verkenning blijkt dat de wet- en regelgeving op rijksniveau geen belemmering vormt voor klimaatbestendig bouwen en ontwikkelen. Met name gemeenten kunnen al veel ‘regelen’ en vastleggen over klimaatadaptief bouwen en inrichten. Dat dit niet of onvoldoende gebeurt, heeft verschillende oorzaken. De belangrijkste oorzaken zijn de onbekendheid met de mogelijkheden van decentrale regelgeving bij klimaatadaptief bouwen en het ontbreken van een gevoel van urgentie en de benodigde capaciteit. In 2019 wordt daarom onder andere een handreiking voor decentrale overheden opgesteld. De overheden en marktpartijen in de provincie Zuid-Holland hebben het convenant Klimaatadaptatief bouwen gesloten. Hiermee willen ze bereiken dat klimaatadaptatief bouwen de ‘het nieuwe normaal’ wordt.

Convenant Klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland

Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Een groot aantal partijen heeft deze ambitie omarmd met de ondertekening van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen in oktober 2018: bouwbedrijven, gemeenten, provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. De Zuid-Hollandse coalitie neemt het voortouw om samen te versnellen, nieuwe ontwerpprincipes en standaarden te ontwikkelen, innovaties te stimuleren en meer proeflocaties mogelijk te maken. Om verder te versnellen wil de coalitie een brede vernieuwing realiseren, van het ombuigen van ‘klassieke aanbestedingen’ tot nieuwe manieren van financiering zoals een klimaathypotheek.

Visies en plannen zorgen voor concretisering van beleid. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor samenhang tussen het beleid voor klimaatadaptatie en voor andere maatschappelijke rijksopgaven voor de fysieke leefomgeving. Provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies bieden op hun beurt veel kansen in de stap om ruimtelijke adaptatie via groen-blauwe maatregelen ook te laten landen. Het verschil in de inhoud van omgevingsvisies bij gemeenten en provincies blijkt nog erg groot. In sommige visies is ruimtelijke adaptatie al goed verwerkt en in andere visies komt ruimtelijke adaptatie niet voor. Om inwoners en gemeenten nog duidelijker te maken welke kansen de Omgevingswet biedt voor het nemen van groenblauwe maatregelen, wordt de brochure ‘Wegwijzers voor grondwater in de omgevingsvisie’ aangepast. Voor decentrale overheden verschijnt de hiervoor genoemde handreiking voor klimaatadaptatief bouwen en ontwikkelen. Dit als steun voor het opstellen van omgevingsvisies waarin doelen en ambities voor ruimtelijke adaptatie zijn opgenomen en verbonden met plannen voor bijvoorbeeld openbare ruimte, energietransitie, bouwen, vitaal platteland en in de gemeentelijke verordeningen.

Zwolle: adaptatiestrategie en de omgevingswet

In 2017 stelde de gemeenteraad van Zwolle deel 1 van de omgevingsvisie vast met onder meer doelstellingen voor klimaatadaptatie. Deze gaan niet alleen over het terugdringen van risico’s, maar ook over het verzilveren van innovatiekansen en vergroenen van de leefomgeving. De doelen hebben een nadere uitwerking gekregen in een adaptatiestrategie (vaststelling zomer 2019). Een van de aspecten is regelgeving. De gemeente kan op korte termijn met een maatwerkvoorschrift of een ‘verordening afvoer hemel- en grondwater’ maatregelen opleggen. Dit doet de gemeente alleen bij aantoonbaar collectief risico op private schade en waar maatregelen in de openbare ruimte ontoereikend zijn. Dit is de uitkomst van een lokaal participatietraject, in de geest van de Omgevingswet. De nieuwe regels krijgen hun beslag bij de actualisatie van bestemmingsplannen en in het Omgevingsplan. Uit onderzoek moet blijken welke regels het meest effectief en ‘handhaafbaar’ zijn.

Standaarden bepalen in hoge mate de uitvoering in de praktijk. Denk aan toe te passen gebouwconstructies, meterruimten, gemalen, riolering, het wegontwerp, maar ook risico- en assetmanagement. Met ‘standaarden’ wordt bedoeld: best practices, handreikingen, handboeken, praktijkrichtlijnen, protocollen en praktijknormen (zoals van NEN) die de praktijk van ontwerpen, bouwen en beheren bepalen en met regelmaat in contractvorming bepalend zijn. Standaarden ontstaan meestal naar aanleiding van vragen in de praktijk en hebben breed draagvlak. Soms zijn dergelijke standaarden ook wettelijk vastgelegd.

In 2019 en 2020 faciliteert en stimuleert het nationaal team Ruimtelijke adaptatie – samen met het team van de Nationale klimaatadaptatiestrategie – het Overleg Standaarden Klimaatadaptatie (OSKA). Hierin zijn diverse partijen vertegenwoordigd: standaardisatie-organisaties, opdrachtgevers en opdrachtnemers, kennis- en onderzoeksinstellingen en andere belanghebbenden.

Rijkswaterstaat houdt nu al rekening met veranderende weersomstandigheden in het ontwerp van droge infrastructuur. Richtlijnen voor hemelwaterafvoer zijn aangepast aan de recente neerslag-statistieken en in de handreiking Verduurzaming MIRT heeft ook klimaatadaptatie een plaats gekregen. Uit de KNMI-klimaatscenario’s blijkt dat weersextremen in de toekomst verder zullen toenemen. Het project Klimaatbestendige Netwerken brengt de gevolgen voor het rijkswegennet, het rijksvaarwegennet en het rijkswatersysteem in beeld met specifieke stresstesten en risicodialogen.

5.2.7 Handelen bij calamiteiten

Hoe goed we onze omgeving ook aanpassen aan extreme weersomstandigheden, er blijft altijd een kans op een nóg zwaardere bui of een nóg extremere droogte. In dat geval kan goede calamiteitenzorg de gevolgen van extreem weer beperken. Daarom is er in het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie ook aandacht voor handelen bij calamiteiten.

Meerssen

Naar aanleiding van zware wateroverlast en overstromingen in de afgelopen jaren hebben de gemeente Meerssen en het waterschap samenwerking gezocht met de twee Limburgse veiligheidsregio’s en een aantal andere gemeenten voor communicatie met inwoners. De overheden hebben een campagne ontwikkeld die op een laagdrempelige manier handelingsperspectieven biedt, in de koude fase (preventief) en in de lauwe en warme fase (bij calamiteiten). Doel is met name de bewustwording en de zelf- en samenredzaamheid te bevorderen. De campagnesite wachtnietopwater.nl is sinds de zomer van 2019 operationeel.

KNMI wil extreme neerslag beter voorspellen

Voorbereiden op extreem weer is makkelijker als bekend is dat het eraan komt. Het KNMI werkt daarom aan een betere voorspelling van extreme regenval. Doel van het project is om eerder – en met meer precisie – te voorspellen op welke plek extreme neerslag valt. Het KNMI ontwikkelt ook een waarschuwingsinstrument dat andere partijen op maat kunnen maken voor een specifieke gebruiker. Het project is klaar in 2021.

Schade voorkomen – door ruimtelijke adaptatie – en schade verzekeren hangen met elkaar samen. Traditioneel zet Nederland vooral in op het voorkomen van schade. De keerzijde daarvan is dat betrokkenen er vaak van uitgaan dat overlast en schade door weersextremen niet meer optreden na het uitvoeren van adaptatiemaatregelen. Het is echter nooit uit te sluiten dat zich nog extremer weer voordoet dan waar de maatregelen op berekend zijn. Het is belangrijk daar tijdens de risicodialoog aandacht aan te besteden en ook in te gaan op wat onder de zorgplicht van de overheid valt en wat wel en niet verzekerbaar is. Dat wordt toegevoegd aan de routekaart voor de risicodialoog, samen een overzicht van verzekerbare en niet-verzekerbare aspecten van klimaatschade.

Het nationaal team Ruimtelijke adaptatie maakt ook een overzicht van de handelingsperspectieven tijdens en na een calamiteit om het restrisico verder te verkleinen, voor inwoners en bedrijven.